13 april 2017

Jakob begint zijn voorstel uit te leggen.

Stilaan beseft Jakob dat hij niet afhankelijk kan blijven van zijn oom om zijn groot te onderhouden. Jakob zal nu opnieuw werken voor zijn oom Laban maar nu wil hij betaald worden met kleinvee. Dit zal hem de mogelijkheid moeten geven om zelf in te staan voor de voeding van vrouw en kinderen. Genesis 30,31-32:31 Daarop zei Laban: ‘Wat moet ik je geven?’ Jakob antwoordde: ‘U hoeft mij niets te geven; ik ben bereid opnieuw uw kudde te hoeden, als u het volgende voorstel aanvaardt. 32 Ik ga vandaag al uw kleinvee langs; zet u dan alle gevlekte en gespikkelde dieren bijeen en zonder ook alle zwarte schapen af. Als loon wil ik enkel de gespikkelde en gevlekte geiten. Een betaald loon in zilver om verder te werken zou Laban op de gedacht kunnen brengen dit loon teug te vragen voor voeding en logement. Jakob kijkt verder en denkt al aan de verre toekomst en leunt liever aan bij de natuurlijke gaven van het kleinvee dan op zilver dat niet vermeerderd. Hierbij kunnen we het loon, “sakar” zoals eerder in de tekst1, opvatten als een goddelijke beloning in natura voor een menselijke actie. Jakob kent ondertussen de schraperigheid van Laban en werkt aan een voorstel waarbij Laban niet voelt dat hij minder bezit krijgt. Het moet een voorstel worden waaruit beiden profijt halen en waarbij Laban niet de indruk krijgt dat hij er armer op wordt.

voorstel Jakob,sakar,goddelijke beloning,loon in natura,duidelijke afspraak,welzijn kudde,selectie,chum,Jakob gebruikt zijn ervaring als herder. Hij heeft gezien hoe de kudden van Laban evolueerden en vermeerderden in de veertien jaar dat hij werkte voor zijn oom. Hij wil verder werken voor Laban en de kudde hoeden. De prijs voor zijn werk zal uitbetaald worden in gespikkelde en gevlekte dieren. Daaraan zal zijn loon onmiskenbaar herkend worden. Dit is de overeenkomst. Een duidelijke afspraak waar geen discussie kan over bestaan want het loon van Jakob zal bepaald worden door de natuur. Wellicht denkt Laban dat het een toevalstreffer is dat schapen of geiten gespikkeld of gevlekt zijn. Jakob weet beter uit zijn ervaring. Hij is al heel zijn actief leven bezig als schaapherder en weet hoe hij moet zorgen voor de aangroei en het welzijn van de kudde en hij heeft zicht op het doorgeven van erfelijke eigenschappen. Laban die in de mening verkeert dat schapen steeds wit zijn en geiten bruin misrekent zich wellicht. Die uitzonderlijk gekleurde dieren mag Jakob hebben deze komen relatief weinig voor en ze betekenen geen verlies voor Laban, die het bij witte schapen houdt. Misschien is de betekenis van zijn naam - “laban” is wit2 - ontleend aan de kleur van zijn schapen.

Meteen wordt er al een selectie doorgevoerd en krijgt Jakob van meet af aan het gespikkelde en gestreepte kleinvee en de zwarte schappen. Een kleine gemengde kudde van schapen en geiten zijn nu aan hem toegewezen. Met deze dieren die niet passen in de eenkleurige kudden van Laban moet Jakob nu verder. Laban wil alleen witte schapen en bruine geiten. Zo hoort het volgens hem want de dieren die er anders uitzien zijn door hun afwijkingen niet waardevol. De manier waarop Laban zijn kudden beoordeelt, vertoont veel gelijkenis met hoe in de maatschappij mensen beoordeeld worden die afwijken van het normale patroon. “Chum” in het Hebreeuws is zowel bruin als zwart en wordt ook in verband gebracht met huidverkleuring door de zon. Dat zijn denknormen die mensen in vakjes verdelen volgens kleur. Alleen witte schapen of koeien van het wit-blauwe ras zijn goed bij de selectie.

 

1 Genesis 30,18.

2 Genesis 49,12.

Post een commentaar