16 juni 2017

De gezegende is een zegen voor anderen.

Jakob was in alles gezegend. Niet alleen met een rijk nageslacht maar ook met een grote veestapel en bezittingen. Zo kon hij een zegen zijn voor de anderen zoals zijn voorvaders. Genesis 33,8-9: 8 Toen sprak hij: ‘Van wie zijn toch al die kudden die mij tegemoet zijn gekomen?’ Hij antwoordde: ‘Ik wilde mijn heer gunstig stemmen.’ 9 Maar Esau zei: ‘Ik ben rijk genoeg, mijn broer; wat van jou is moet van jou blijven.’ Esau reageert ook op alle geschenken die hem eerder door Jakob toegestuurd werden1. Dit was een teken van de zegen van Jakob. In zijn vraag omschrijft Esau die geschenken als “machaneh”. Door precies dit woord te gebruiken verwijst dit naar de naam Machanaïm. Dit was de naam die Jakob gaf aan de plaats waar hij het leger van de Elohiem aanvoelde. Esau haakt dus met zijn woordgebruik bij zijn vraag in op de vrijgevige god die Jakob vermeldde toen hij zijn gezin voorstelde aan zijn broer. Het woord “machaneh” vertoont gelijke trekken met de werkwoorden “chanah”, in tenten of kampen verblijven, die bescherming bieden, en “chanan”, genade verlenen en wordt hier gebruikt voor de troep kudden die vergeleken worden met een legerkampJakob was gezegend,hij kon een zegen zijn voor de anderen,hij kon delen van zijn bezit,Esau is rijk genoeg,Machaneh,Machanaïm,genade verlenen,in de tentenkampen verblijven,genade verlenen,kudden in opmars als geschenk,roeping van Abraham,zegen zijn voor andere volken,adon,macht en bezit,gunstig stemmen,bevestiging in zijn waardigheid,geen suprematie bewijzen,geschenken om hem te overtuigen van de Ene,weigert de goddelijke gaven, in opmars2. Samen met een tweede element over de boodschappers die de kudden vergezelden, die we als engelen1 afschilderden, is af te leiden dat er hier iets bovennatuurlijks aan de hand is. Esau kan wellicht door dit woordgebruik duidelijk maken dat hij ook ondervindt dat Jakob genade krijgt van de Ene.

Deze redenering ligt helemaal in de lijn van de zegen die uitgesproken wordt door El Shadday over de aartsvaders. Abraham wist bij zijn roeping uit Haran al onmiddellijk welke richting het zou uitgaan. Genesis 12,2: 2 “Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat gij een zegen zult zijn.” Het gezin van Jakob is het begin van dat volk en de gaven die hij aan zijn broer wil geven zijn al een voorbeeld van de zegen die Jakob, die nu ook Israël noemt, is voor andere volken.

In alle nederigheid noemt hij zijn broer een “heer” een “adon”, meester en eigenaar. Met deze benadering legt Jakob de nadruk op de macht en het bezit dat zijn broer veroverd heeft in al die tijd. Jakob zegt zijn broer dat die gaven bedoeld waren om hem gunstig te stemmen. Dit lijkt inmiddels gelukt. Hoewel de boden al verschillende keren herhaald hadden dat Jakob zich opstelt als de dienaar van Esau, wil hij het nog eens uit de mond van Jakob zelf horen. Dit is nog een andere reden waarom hij deze vraag stelt. Het antwoord volstaat hem en bevestig hem in zijn waardigheid. Zo moet hij zijn suprematie niet meer bewijzen en hoeft hij zich niet al eisende partij voor te doen.

Daarom wil Esau niet onmiddellijk die gaven in ontvangst nemen. Hij heeft genoeg aan zichzelf en aan zijn bezit. Eigenlijk vermoedt hij dat deze geschenken deel uitmaken van een goddelijk plan om hem te overtuigen mee te stappen in het volk van Jahweh. Dat wil hij niet en daarom heeft hij die goddelijke gaven niet nodig. De god van Jakob is toch niet de god van Esau, die meer om eigen bezit geeft. Esau voelt er niets voor om enige verantwoordelijkheid op te nemen om de wereld een betere plaats te maken zoals de besnedenen van hart betrachten.

 

1 Genesis 32,13-22.

2 zie bijdragen: “Jakob voorziet problemen” en “Alles wordt duidelijk met de nieuwe dag.”

Post een commentaar