20 juli 2017

Jakob is geschokt door de wreedheid van zijn zonen.

Jakob begreep toen reeds dat elke oorlog een stap is in de spiraal van geweld die gevoed wordt door mateloze wraak. Hij begrijpt sedert zijn gevecht met de engel, die hem godsgedachten bijbracht, dat hij als mens, zoals hij bedoeld is in de schepping, ook een grote verantwoordelijkheid heeft. Die zorg was niet alleen voor zijn eigen stam maar ook voor de andere stammen. De eerste roeping tot het verbond gericht aan Abraham was daar alvast heel duidelijk in1. Jakob verbreekt nu de stilte die hem overviel nadat hij op de hoogte was van de schanddaad van Sichem. Genesis 34,30-31: 30 Toen zei Jakob tegen Simeon en Levi: ‘Jullie hebben mij in het ongeluk gestort door mij in opspraak te brengen bij de bewoners van het land, de Kanaänieten en Perizzieten. Ik heb maar weinig mannen tot mijn beschikking. Als zij gezamenlijk tegen mij optrekken, verslaan ze mij en doden ze mij, met mijn familie.’ 31 Maar zij zeiden: ‘Moest hij dan onze zuster als een hoer behandelen?’ De hoofdverantwoordelijken van het bloedbad zijn zonen van Lea. Jakob spreekt hen persoonlijk aan en stelt ze verantwoordelijk. Jakob beweert dat zijn zonen hem in het ongeluk hebben gestort.

Sommigen denken dat Jakob hier opkomt voor zijn persoonlijke reputatie bij de bewoners van Kanaän. Dit zou maar een magere reactie zijn van de aartsvader op de list en de gruwelijke moorden waaraan zijn zonen zich schuldig maakten. Jakob is zich goed bewust geworden dat het verbond met de Ene verdacht gemaakt wordt en in gevaar gebracht wordt door leugen, bedrog en moord. De roeping om een zegen te zijn voor de mensheid wordt teniet gedaan door de wandaden van zijn zonen die denken dat het zwaard de beloften van de Ene waarmaken. Niets is minder waar.

De Hebreeuwse taal gebruikt een beeld om de afschuw van de andere volken te beschrijven. Jakob verwijt zijn twee zonen dat hij hem doet stinken, “baash” in het Hebreeuws. Deze uitdrukking wordt al vaker gebruikt om te wijzen op een verachtelijke moraal2. We zouden in het Vlaams kunnen zeggen dat de andere stammen in Kanaän de Hebreeuwen die daar te gast zijn, niet meer kunnen rieken of zien. De stammen die de Hebreeuwen niet meer kunnen uitstaan zijn de Kanaänieten en Perizzieten. Dat zijn de twee stammen die woonden in Kanaän toenwreedheid van zonen van jakob,verantwoordelijk om zegen te zijn voor de mensen,reputatie van israël besmeurd,leugen,bedrog,doodslag,stinken voor andere volken,kanaänieten en perizzieten,hebron,samenleven van stammen,schanddaad mateloos gewroken Abraham met Lot terugkwam uit Egypte3. De oorspronkelijke bewoners van Palestina. Abraham kwam toen in Hebron waar hij als gerespecteerde stam leefde in een stammenverbond. Deze vorm van samenleven met een van de stammen van Kanaän is na dit voorval helemaal uitgesloten voor de Hebreeuwen. Als kleine gemeenschap maken ze geen kans meer aanvaard te worden door een van de andere stammen in het land van Kanaän.

De twee broers verdedigen zich met een vraag waarop Jakob geen antwoord geeft. Ze maken van de voorhuwelijksbetrekkingen met een onbesnedene een breekpunt en verwijten Sichem Dina te verlagen tot een hoer. Ze vergeten dat de gerespecteerde zoon van Hemor uiteindelijk toch probeert ten alle prijze tot een akkoord te komen. In zijn grote toegeeflijkheid werd hij dan nog wel bedrogen door de zonen van Jakob.

Het antwoord van Jakob lag reeds zijn berisping. Hij wijst erop dat er een onmiskenbaar onevenwicht ontstaat door de bedrieglijke en mateloze reactie van zijn zonen op de schanddaad van Sichem. Na de ervaringen met zijn broer Esau en zijn oom Laban heeft Jakob geleerd dat mensen reageren op bedrieglijke praktijken. Deze reacties staat dan de realisatie van het verbond met de Ene, die leidt tot een betere wereld, in de weg. De conclusie is dat je geen groot en gerespecteerd volk wordt door anderen volken onrechtmatig te behandelen. Vol spijt over de misdaden van zijn zonen zwijgt Jakob opnieuw. Later zal blijken dat de stammen van Simeon en Levi geen autonome erfgenamen zullen worden.

 

1 Genesis 12,3.

2 Exodus 16,20-24; Psalm 38,6; 1 Kronieken 19,6; 1 Samuël 27,12.

3 Genesis 13,7.

Post een commentaar