24 juli 2017

Verder op zoek naar een eigen identiteit trekt Jakob opnieuw naar Betel.

De situatie in de streek van Sichem is niet meer houdbaar doordat de zonen van Jakob, in het bijzonder Levi en Simeon, voor de bewoners van de stad een valstrikt hadden opgezet en alle mannen vermoord hadden. Ze hadden alle krediet verloren bij de oorspronkelijke bevolking van Kanaän. Er was reden genoeg om te vluchten naar een gebied waar ze minder bedreigd zouden worden. God komt tussen in deze zorgwekkende evolutie rond het volk van Israël hoewel ze door hun bedrog en moordlust zelf de oorzaak zijn. Genesis 35,1: 1 God zei tegen Jakob: ‘Ga naar Betel en vestig u daar. Richt er een altaar op voor de God die u verschenen is, toen u vluchtte voor uw broer Esau.’ Deze keer is het niet de vader van Jakob die hem beveelt te vertrekken met een andere reden dan het gepleegde bedrog. Het is Elohim die Jakob in een droom, een visioen of in een gedachtenimpuls beveelt te vertrekken en naar Betel te gaan.

De eerste ontmoeting van Jakob met El Shadday was ook in Betel toen hij vluchtte voor de wraak van zijn broer aan wie hij door bedrog de zegen van zijn vader Isaak ontfutseld had. De Ene stelt zich nu voor als de God die verschenen is in Betel. Toen noemde God zich El Shadday1. Dit is de naam van de Ene die vaker gebruikt wordt in de mythische verhalen over de aartsvaders. De bescherming en de barmhartigheid zitten vervat in deze visie over de Ene die de bepalende factor is in het verloop van de vroege geschiedenis van het godsvolk. sichem,israël moet vluchten,bedrog en doodslag,geschiedenis herhaalt zich,bedrog biedt geen perspectieven,einde van de shalom,de ene vraagt een altaar,vernieuwen van verbond,land en volk,vestigen was een mislukking

De tocht naar Betel wordt voorgesteld als een tocht naar boven. Waar de vertaling spreekt van “ga” wordt er in het Hebreeuws het werkwoord “alah” gebruikt. Dat is “naar boven trekken”, opstijgen. Dit betekent voor de Hebreeuwen steeds een morele verbetering tegemoet gaan. Betel ligt op zowat vijftig kilometer maar in realiteit ook duizend meter hoger dan Sichem. Na de misdaden op het volk van Sichem is een herbronning van het volk op zijn plaats en dient het hart van de Hebreeuwen fijner besneden te worden. De stam dient zich te vestigen in Betel, het huis dicht bij de machtige Ene. Er is een dringend openhartig contact nodig met de Ene. De eerste vermelding van Betel liet ons toe deze plaats geen vaste locatie toe te kennen en daardoor meer nadruk te leggen op de universele mogelijkheid om in voeling te komen met de Ene.

Nu herinnert de Ene Jakob fijntjes aan zijn belofte2. Jakob is immers veilig teruggekeerd in Kanaän en kreeg in de periode van zijn verblijf in Paddan-Aram veel meer3 gunstbewijzen dan de gewenste voeding en kleding. De belofte van Jakob was in zijn overtuiging dat de Ene onherroepelijk en zonder twijfel zijn god was, hij dit zou laten blijken door een dankoffer. Eens hij “shalom”, behouden, in goeden doen en in vrede terug thuis was, zou de gezegende steen de plaats aanduiden waar een altaar zou gebouwd worden en zou hij tienden schenken als offergave.

Nu was de Ene voor Jakob, zolang zijn vader nog leefde en de touwtjes in handen had, nog de gevreesde god4 van zijn vader Isaak. Om zijn gezegende roeping, ontvangen in de droom in Betel, in herinnering te brengen had Jakob een steen rechtgezet als bewijs van zijn vertrouwen en als teken van zijn engagement in de toekomst als aartsvader. Hij goot olie over die steen om deze steen een plechtig getuige te laten zijn van het verbond tussen hem en de Ene. De priester-schrijver voegt er aan toe dat hij ook de belofte deed om tienden te geven.

De Ene dringt er nu op aan om een altaar op te richten voor de god die hem toen verscheen. Dit alles brengt ook het verbond van een land en een volk in herinnering dat op dat moment uitgesproken werd voor de man die aartsvader zou worden. Eens aartsvader zou hij net als zijn voorgangers in het verbond een zegen zijn voor alle mensen. Hij was goed op weg om dat waar te maken ware het niet van de misdadigheid van Levi en Simeon, zijn zonen. Zo mislukte de eerste poging van Israël om zich in Sichem te vestigen nadat Abraham op deze heilige plaats de goddelijke belofte kreeg van het land van Kanaän en een groot nageslacht.

 

1 Genesis 28,13.

2Genesis 28,20-22.

3 Genesis 32,11.

4 Genesis 31,53.

Post een commentaar