04 augustus 2017

Jakob en zijn volk worden Israël.

De omstandigheden van het visioen in Betel van meer dan twintig jaar geleden worden nog eens nader bekeken om het altaar dat daarnet gebouw werd in dat perspectief te plaatsen. Ook de meer recente naamgeving van Israël in Penu(i)ël werd nu openbaar voor het volk. Genesis 35,13-15: 13 God steeg op van de plaats waar Hij met hem gesproken had. 14 Op de plaats waar God met Jakob had gesproken, richtte deze een heilige steen op; op deze steen goot hij een plengoffer van olie uit. 15 Aan de plaats waar God tot hem gesproken had, gaf Jakob de naam Betel. Bij de herinnering opgedist door de schrijver, wordt het droomvisioen1 voorgesteld als een werkelijk gebeurd feit. De omschrijving: "Op de plaats waar Hij met hem gesproken had, steeg de Ene op” werd eerder2 gebruikt na de plechtige verklaringen aan Abraham.

Door terugblik naar de opgerichte steen in Betel na het visioen van Jakob in Betel wordt er herinnerd aan de olie die over de steen werd gegoten. Maar in de Hebreeuwse tekst wordt er tweemaal gegoten. Eenmaal “necek” en dat betekent drankoffer en eenmaal “shemen”, wat in het Nederlands olie verwoordt.

Nadat de Ene opsteeg is de tijd nu rijp voor Jakob om de richtlijnen van de Ene kenbaar te maken. Hij besnijdt het hart van zijn volk. Aan zijn volk, dat meekwam uit Sichem naar Betel, geeft Jakob alle informatie over de inhoud en de gevolgen van de bovennatuurlijke visioenen die hij kreeg. Op die manier verdient Jakob debetel,israël,penuël,peniël,droomvisioen als werkelijkheid,drank en olie,jakob,aartsvader,volk richten naar de ene,groot volk in een goed land,isaak,nieuwe kleren,nieuw volk van israël titel van aartsvader en weten alle stamgenoten dat de Ene de god van Israël is, hun god. Jakob neemt de verantwoordelijkheid zijn volk te richten naar de Ene. Hij doet dit om de spirituele beloften van de Ene in verband te brengen de realiteit van Israël. Hij zal stamvader worden van een groot volk dat in een goed land zou wonen. Vanaf nu groeit het volk van het verbond, het nageslacht van Abraham, in aantal en komt het wonen in het beloofde land Kanaän steeds dichterbij.

Opmerkelijk is dat dit alles na de dood van Debora gebeurt. De herkomst van Jakob was de stam van Isaak, die zoon was van Abraham. Debora werd opgenomen in die stam door het huwelijk van haar meesteres, Rebekka, met Isaak. In een zekere zin is Debora de vertegenwoordigster niet alleen van Rebekka maar van de besnedenen van hart van de stam waaruit Jakob voortkomt. Met haar opname in de stam van Jakob wordt wellicht weergegeven dat een aantal mensen uit de stam van Isaak die uit het goede hout gesneden waren, overliepen naar Jakob toen hij terugkwam in Kanaän. Haar dood betekent de versmelting met de stam van Israël, het verlies van de vroegere identiteit en van de invloed van Isaak. Ook zij, die meekwamen uit Haran en zij die meegevoerd werden uit Sichem, laten hun identiteit achter en trekken nieuwe kleren aan. Jakob geeft dit volk een nieuwe identiteit. Ze worden nu het volk van Israël. Dat moet gevierd worden.

Het altaaroffer werd vergezeld met een vleesmaaltijd en een glas wijn voor het nieuwe volk van Israël. Zo werd het verbond plechtig en tastbaar bezegeld voor alle stamgenoten. Het volk wordt gebonden zoals eens3 Isaak gebonden werd door Abraham. Ook deze binding werd bezegeld op een berg. Toen de berg van Moria en nu op de hoogte in Betel. Topmomenten van contact met het bovennatuurlijke dat nog hoger is want de Ene steeg op van Betel.

 

1 Genesis 28,12-16.

2 Genesis 17,22 en 18,33.

3 Genesis 22,9.

Post een commentaar