09 augustus 2017

De velden bij Bethlehem.

De droevige gebeurtenis langs de weg naar Efrata geeft latere auteurs de gelegenheid om het beeld van de tranen van Rachel te laten vloeien over nieuwe ellende1, die het volk van Israël ondergaat. Het Hebreeuwse volk blijft echter niet verstijfd bij deze tegenslag en trekt verder uit hun ellende de geschiedenis in als voortrekker voor alle volken. Genesis 35,21: 21 Daarop trok Israël verder, en hij sloeg even voorbij Migdal-Eder zijn tent op. Hun trektocht als nomaden wordt uitgelegd als grotendeels bepaald door de behoeften van hun kudden en door hun drang naar een beter leven. Ze trekken verder naar het zuiden weg van Betel en Efrata en houden halt een eindje na een uitkijktoren, die gebruikt werd om de kudden in het oog te houden, en slaan er hun tent op. De nadruk ligt echter op de persoon Israël en niet op het volk. Eigenlijk staat er duidelijk Israël trekt verder en slaat zijn tent op eens voorbij de “toren van de kudde”. Deze verhoogde plaats was wellicht een opstapeling van stenen. Als er een verhoging gemaakt werd, deed dat dienst als een baken op deze plaats. Daarom kunnen we aannemen dat het in een gebied is waar er vruchtbare weiden zijn voor de kudden. Het is ten zuiden van het actuele Jeruzalem en in de richting Hebron. Onmiskenbaar ligt de plaats tussen Efrata, Bethlehem, en Hebron3 en gaat het niet over Jeruzalem4. Jakob, die hier voor het eerst Israël genoemd wordt in dit verhaal, gaat de richting uit van het verblijf van zijn vader Isaak en van zijn vroegere voorvader Abraham. Deze plek ten zuiden van Bethlehem niet zover van Jeruzalem samen met het feit dat Jakob hier tranen van rachel,ellende van het volk,migdal-eder,uitkijktoren,toren van de kudde,zicht over het volk,vruchtbare weiden,leiderschap over het volk,goede herder bewaakt zijn kudde,betel,aartsvaderIsraël wordt genoemd heeft wellicht een diepere betekenis. Het is de plaats waar sleutelfiguren5 uit de Bijbel in verband gebracht worden met het leiderschap van hun volk.

Deze passage is ook de bevestiging van het leiderschap van Israël. De naam, die Jakob in Peniël kreeg, wordt bevestigd6. Het land dat beloofd was, wordt na de tweede passage Betel met heel het volk ingenomen. Het verbond met de aartsvaders krijgt in toenemende mate vorm. Eerst kreeg Abraham in Genesis 17,7-9 zicht op wat zou gebeuren in de toekomst: 7 ‘Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen, geslacht na geslacht, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. 8 Geheel Kanaän, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn.' Ook Jakob kreeg een gelijkaardig verbond te horen bij zijn eerste passage in Betel in Genesis 28,13-14: 13 Ineens stond Jahwe bij hem en zei: `Ik ben Jahwe, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak. Het land, waar gij op ligt, zal Ik aan u en aan uw nakomelingen geven. 14 Uw nageslacht zal zijn als het stof van de aarde; gij zult u uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden; door u en uw nakomelingen zal zegen komen over alle geslachten van de aarde. Jakob wordt bevestigd als aartsvader en herder van het volk. Hij bepaalt de tocht en de haltes van de Hebreeuwen die we nu Israëlieten mogen noemen. Israël heeft de plicht te waken over zijn volk en heeft het overzicht vanaf de toren van de kudde.

 

1 Jeremia 31,15; Matteüs 2,18.

2 Jozua 15,21.

3 Genesis 35,19 en Genesis 37,14.

4 Micha 4,8 die de steenhoop in relatie brengt met Jeruzalem verwijst naar de woonplaats van de priesters van Jeruzalem waar ook een uitkijktoren stond, vermeld in 2 Kronieken 27,3 en 33,14; Nehemia 3,26 en 27; Jesaja 32,14. Ofel wordt verder niet in verband gebracht met die steenhoop nabij Efrata.

5 1 Samuël 16; Lucas 2,8.

6 Genesis 32,28.