31 augustus 2017

Goden en naties.

Na deze tussentekst over de materiële reden van de splitsing gaat de schrijver verder met de stamboom van Esau. Hij pikt de draad op met een herhaling om vanaf daar de verdere generaties uit te lichten. Genesis 36,9-10: 9 Dit zijn de nakomelingen van Esau, de vader van Edom, in het Seïrgebergte. 10 De namen van Esaus zonen zijn Elifaz, zoon van Esaus vrouw Ada, en Reüel, de zoon van Esaus vrouw Basemat. De schrijver maakt duidelijk dat Esau nu in Edom woont met zijn vrouwen, zijn zonen en dochters. Nu ontstaat een nieuwe natie die bevolkt wordt met een nieuw volk dat bestaat uit verschillende stammen die zich op verschillende plaatsen vestigen. De vader van die natie is Esau. De eerste en tweede zoon van Esau geboren in Kanaän worden nog eens vernoemd met de bedoeling verder uit te spitten welke nakomelingen deze zullen hebben nu ze in het Seïrgebergte wonen. Twee belangrijke takken, deze van zijn Hettitische vrouw en8 31 a Bijbel 933 a.jpg deze van zijn Ismaëlitische vrouw komen voorop. Dit is niet toevallig. Dit zijn twee stammen, de Kanaänieten en de Hebreeuwen, die een familieband hebben met de Noach. Al moeten we flink wat generaties teruggaan. De Hethieten met hun stamvader Chet zijn afstammelingen van Cham en de Ismaëlieten hebben hun voorouders in de lijn van Sem. Beiden zijn zonen van Noach1. Abraham is een afstammeling van Eber, een Semiet, en hij vertegenwoordigt in deze familietak daardoor Hebreeuwen. Ondertussen zijn deze Hebreeuwen die afstammelingen waren van Jakob een nieuw volk geworden. Het zijn Israëlieten geworden. Het is een volk zonder land maar met een zending, een project, dat ligt in het verlengde van het verbond van de Ene met Abraham. Nu zijn ze nog zwervers te gast in Kanaän, het land waar ze eens zullen wonen te midden van verschillende volken. Een van die volken zijn de Edomieten. Dit volk is ontstaan uit het nageslacht van Esau en de stammen werden genoemd naar de namen van deze nakomelingen. De namen, de bijnamen of de kenmerken op een bepaald moment vastgesteld geven soms ook al een aanduiding van de plaats waar ze gevestigd waren. Esau werd ook Edom genoemd en hij was behaard zoals het Seïrgebergte. Elifaz en Reüel, beide geboren in Kanaän, hebben namen waarin de godsnaam “El” verwerkt zit. Elifaz is God is goud en Reüel is aanbidder of vriend van God2. Dit zijn wellicht verwijzingen naar de goden van Kanaän en niet naar de persoonlijke god Jahweh. Net als in Israël de naam “El” voorkomt gelden deze namen als een algemene verwijzing naar het bovennatuurlijke. Elk volk had zijn god. Deze kreeg dan een persoonlijke naam en invulling per volk. Bij de meeste volken werden meer dan een god vereerd maar er was steeds een oppergod, die vereenzelvigd werd met het volk en zijn geschiedenis. De naam “El” verwijst dus niet naar een unieke god maar is een algemene term.

 

1 Genesis 10,6-19 ( 1 Kronieken 1,3) en 21-30.

2 zie bijdrage: Diverse goden in de stam van Esau.

Post een commentaar