20 september 2017

Kennismaking met Jozef een zoon van Jakob.

In het verdere verhaal van aartsvader Jakob neemt Jozef meteen een belangrijke plaats in. Genesis 37,2: 2 Dit is de geschiedenis van Jakob. Jozef was een jongeman van zeventien jaar, toen hij met zijn broers, de zonen van Bilha en Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de kudde hoedde. Hij bracht de kwade geruchten die over zijn broers in omloop waren aan hun vader over.

Dit is de geschiedenis staat er in onze vertaling. Eigenlijk zou de vertaling van "toledoth" met "dit zijn de generaties" beter zijn zoals door deze uitdrukking ook in voorgaande teksten1 het verder verloop aangekondigd werd. Deze verhalen gaan over mensen die zich doorheen alle generaties als vreemdelingen, uitzonderingen op de algemeen aanvaarde normen, gedragen in een mensenwereld die materialistisch denkt. Zij zijn de erfgenaam van Abraham, die steeds op weg zijn naar "beter leven".

Jozef is de oudste zoon van de geliefde vrouw van Jakob, Rachel. Rachel is echter overleden bij de bevalling van Benjamin, net voor de stam iets meer ten zuiden zijn tenten opsloeg in Kanaän in de nabijheid van Bethlehem aan een uitkijktoren. Toen was Jozef ongeveer negen jaar. Het is niet onwaarschijnlijk dat de knaap toen opgevangen werd bij Bilha, de slavin van Rachel, en dat hij mee opgroeide in die tent met Dan en Naftali en met Gad en Aser, de zonen van Zilpa, de slavin van Lea2. Dit lijkt zelfs logisch aangezien hij met de broers van deze slavinnen de kudde hoedt. Als jonge man zonder moeder betekende zijn vader, Jakob, door zijn raadgevingen een steun voor hem. De aartsvader heeft dan ook niet nagelaten zijn Jozef op te voeden binnen de lijnen van het verbond met de Ene. Als jongen aartsvader jakob,israël,jozef,hoeden van kudden,toledoth,generaties,mensen doorheen de generaties,vreemdelingen,beter leven,jozef zonder moeder,slavinnen,opvoeding door israël,rechtschapen gedrag,broeder liefde en goed leven,morele kwaadaardigheid,zorgzaamvan zeventien had hij beslist ook al voldoende verantwoordelijksbesef om samen met zijn broers een van de kudden van de stam te hoeden. Wat er precies misliep met zijn broers is niet duidelijk. We kunnen denken dat Jozef omwille van zijn rechtschapen gedrag belachelijk gemaakt werd door de zonen van de slavinnen als zoon van een vrouw van Jakob of dat zijn broers fout gedrag vertoonden en dat ze dingen deden of vertelden die thuis verboden waren en niet strookten met de levenswijze van een Israëliet. Broederliefde maakt hier plaats voor het bewustzijn van een besnedene van hart. Als Jozef zijn vader inlicht over die kwade zaken, gaat het beslist niet meer over kwajongensstreken maar over zaken die in strijd zijn met het verbond met de Ene zoals hij dit van zijn vader leerde. Het Hebreeuwse "ra'" houdt immers ook morele kwaadaardigheid in. Dit tweede vers van dit hoofdstuk leert ons dat de morele kwaliteit van Jozef hoger lag dan dat van zijn broers en dat hij de verantwoordelijkheid reeds kon nemen om herder te zijn. Hij was zorgzaam voor de dieren en voor zij broers. Deze jongeling lijkt geschikt om mee te werken aan de realisatie van het verbond van de Ene. De vertaling in de Naardense Bijbel van deze laatste zin klinkt helemaal anders: Genesis 37,2b Dan komt Jozef met hun kwade praat bij zijn vader. Dit is anders dan het overdragen van geruchten die over zijn broers de ronde deden. Geruchten, die de ronde doen, heeft iets van kwaadsprekerij door derden. We mogen hier eerder interpreteren dat Jozef, in zijn fijngevoeligheid voor het verbond, zelf ondervond dat zijn broers afweken van het gedrag van een besneden Israëliet.

 

1 Genesis 25,12; Genesis 36,1; Genesis 36,9.

2 Genesis 35,25-26.

Post een commentaar