09 oktober 2017

Jozef als slaaf verkopen.

Terwijl de zonen van Jakob aan het eten waren, zagen ze dat een karavaan vanuit Gilead komen. Ze wisten dat het een Arabische karavaan was die richting Egypte trok. Ze zagen het aan de klederdracht van de mannen en aan de vracht waarmee de kamelen beladen waren. Genesis 37,26-27: 26 Juda zei tegen zijn broers: "Wat hebben we eraan, die broer van ons te vermoorden en zijn bloed te bedekken! 27 Laten wij hem liever aan de Ismaëlieten verkopen en niet de hand aan hem slaan; hij is toch een broer van ons, ons eigen vlees." Zijn broers stemden daarmee in. Juda maakt gebruik van die gelegenheid om dan toch maar het leven van Jozef te redden en hem niet te laten sterven van ontbering in die put. Zijn redenering komt overeen met zijn de vorige oproep die hij deed om hun broer niet te vermoorden. Dat mag niet! Deze houding van Juda verwijst naar een ongeschreven wet, die algemeen aanvaard werd bij de Hebreeuwen. Hij maakt door zijn beslissing zijn broers duidelijk dat het moord is en blijft ook als er geen bloed te zien is. Zelfs als de dood van Jozef onttrokken is aan het oog doordat hij de hongerdood sterft in een put. Zelfs als het een perfecte moord lijkt, blijft het een moord en daarbovenop nog eens een broedermoord.

Een ander argument van Juda lijkt het winstbejag. Hij stelt voor Jozef aan te bieden als slaaf aan de Ismaëlieten zodat Jozef in Egypte zou verkocht worden. Hij vindt dit alternatief beter omdat er hen dan geen moord ten laste kan gelegd worden. De motivatie van Juda stemt niet overeen met de verborgen agenda van Ruben. Hij wou Jozef terug bezorgen aan vader Jakob. Hij had wellicht het plan slavenhandel,jozef,gilead,ismaëlieten,ruben afwezig,slaven in egypte,basar eigen vlees,materiële drijfverenJozef te redden uit de put om hem daarna naar zijn vader terug te brengen. Wij horen bij het voorstel van Juda geen protest en vermoeden dan ook dat Ruben niet aanwezig was bij het akkoord om Jozef te verkopen aan de handelaars die zaken deden met Egypte. Het slavendom en de handel in slaven was in die tijden in het Midden-Oosten een aanvaard fenomeen en wekte helemaal geen weerstand. We herinneren ons de slavinnen en de knechten die Abram kreeg1 als omkoopgeschenk van de farao omwille van zijn mooie vrouw Sarai. Om slavinnen en knechten als geschenk2 te kunnen geven moet men over die mensen kunnen beschikken. De kinderen van slaven werd ook slaaf maar er was ook een mogelijk om slaven te kopen en van de Arabische handelaars die rondtrokken in karavanen was geweten dat ze slaven verhandelden op hun tochten. Bij het zien van een handelskaravaan schoot dit idee Juda te binnen en vertelde hij het aan zijn broers. Zo stemden ze in met het voorstel van Juda om hun broer, hun eigen "basar", familie of eigen vlees3, aan de Ismaëlieten te verkopen. Eerst dachten de op bezit beluste zonen van Jakob erbij hun erfenisrechten te verliezen als hun broer hun leider werd en nu maken ze nog wat winst als ze hem verkopen. Hun denken en hun drijfveren zijn louter materieel en dat was al duidelijk in Sichem bij het meenemen van de buit4 nadat ze alle mannen van de stad op een listige manier vermoord hadden.

 

1 Genesis 12,16.

2 Genesis 20,14; Genesis 29,24 en 29; Genesis 30,43 …

3 Genesis 29,14.

4 Genesis 34,27-29.

Post een commentaar