04 januari 2018

De honger slaat ook toe in Kanaän.

De ondernemingszin was bij de familie van Jakob in Kanaän helemaal zoek. Wat ze ook ondernamen op het veld en waar ze ook rondtrokken met hun schapen, het lukte hen maar niet om op een hoopgevende manier verder te komen. Genesis 42,1-2: 1 Toen ook Jakob hoorde dat er in Egypte graan te krijgen was, zei hij tegen zijn zonen: ‘Wat zitten jullie elkaar aan te kijken? 2 Ik heb gehoord dat er in Egypte graan te krijgen is. Ga daar toch heen om graan te kopen, zodat wij in leven blijven en niet sterven.’ In het Hebreeuws wordt het werkwoord “raah” tweemaal gebruikt in dit eerste vers. Voor Jakob die “ziet” en de broers die naar elkaar “kijken” en niet zien wat rond hen gebeurt. Onze vertaling spreekt echter van “horen”. We zouden evengoed kunnen begrijpen dat Jakob de ernst van de situatie inziet en dat zijn zonen, de broers van Jozef, bij de pakken blijven zitten. “Wat zitten jullie elkaar aan te kijken?” Dit laatste wordt dan weer treffend weergegeven in de vertaling1, die we hier gebruiken. Het is wel aanvaardbaar te denken dat Jakob zijn informatie haalt van de voorbijkomende karavanen2. Hij hoorde wellicht van de voorbijtrekkende kooplui dat er, ondanks de grote droogte in heel de regio, toch nog graan te koop was in Egypte.

In Jakob herkennen we de invloed van de onverstoorbare El Shadday die op een liefdevolle manier zijn volk de weg wijst naar het goede leven. De god met deze eigenschappen is onlosmakelijk verbonden met de aartsvaders die in dehonger in Kanaän,zien en kijken,inzien,El Shadday,onverstoorbare god,goed leiderschap,afdalen naar egypte, oudste geschiedenisverhalen de basis moeten leggen voor het volk van god en het beloofde land. Stamvader Israël handelt helemaal autonoom geleid door de inspiratie van de Ene, die reeds generaties doorwerkt bij de Hebreeërs, een volk in beweging doorheen de geschiedenis. Jakob staat niet onder de absolute leiding van farao zoals zijn zoon Jozef, een Hebreeër besneden van hart maar geen aartsvader. De begeesterde Jakob geeft hier blijk van zijn goed leiderschap over de familiestam die hem toevertrouwd is door de Ene. Hij heeft blijkbaar nog geen waardige opvolger gevonden om hem op te volgen. Geen van zijn zonen voelt zich in deze moeilijke periode blijkbar geroepen om enige verantwoordelijkheid op te nemen voor de hele stam. Hun reputatie was immers ook niet te rijmen met hun zending als volk om een zegen te zijn voor de anderen. Levi en Simon waren een vloek voor het volk van Sichem en Ruben had zich vergrepen aan de bijvrouw van zijn vader. Maar het ergste voor Jakob was dat hij zijn zoon Jozef verloren had toen hij hem had uitgestuurd naar zijn broers om te zien of ze “shalom” waren. Niemand kon Israël troosten toe hij het bebloede kleed zag van Jozef, van wie hij vermoedde dat hij omgekomen was door wilde dieren. Zelfs in deze gemoedstoestand draagt hij ten volle de verantwoordelijk voor heel de stam en neemt levensreddende beslissingen. Hij kent de noden van zijn volksstam en zoekt aangepaste oplossingen om het leven van zijn familieclan goed te laten verlopen. De druk was nu groot want de familie was groter geworden en er moesten vele monden gevoed worden in deze barre tijden van slechte oogsten. Hij draalt niet zoals zijn zonen maar neemt de kordate beslissing en stuurt zijn zonen naar Egypte. Hij wacht niet op het aanbod van een voorbijtrekkende karavaan en stuurt meteen zijn zonen op pad.

Daal af en koop. Het is steeds afdalen naar Egypte omdat Egypte, het land van de ellende ook voor Jozef, niet hoog aangeschreven staat bij Israël. Zijn zonen hoeven niet in Egypte te blijven. Ze krijgen een opdracht om graan te kopen dat van levensbelang is voor de hele stam die achterblijft in Kanaän.

 

1 Willibrordvertaling 1975.

2 Genesis 37,25.

Post een commentaar