10 januari 2018

“Jullie zijn spionnen.”

Het werkwoord “nakar” van vers 8 dat op het eerste zicht vertaald werd met dat ze Jozef niet herkenden lijkt nu eerder op het feit dat hij zich niet wil te kennen geven. Dit is ook een goede vertaling van dit Hebreeuwse woord. De kleine woordenschat van het Hebreeuws is vaker de aanleiding tot veel wisselende vertalingen. Daarom ook speelt Jozef het hard en heeft geen oren naar de verdediging van zijn broers, die beweren dat ze betrouwbare mensen zijn. Jozef wil ze laten inzien na wat hij weet over hen1 dat ze niet zo oprecht zijn als ze willen laten uitschijnen. Genesis 42,12-16: 12 Maar hij zei tegen hen: ‘Nee, nee! U probeert te weten te komen waar het land open en onbeschermd ligt.’ 13 Zij antwoordden: ‘Uw dienaren waren met twaalven. Wij zijn broers, zonen van één man in Kanaän; de jongste is bij vader gebleven, en één is er niet meer.’ 14 Nu zei Jozef tegen hen: ‘Ik blijf bij wat ik gezegd heb: u bent spionnen. 15 Maar op één manier kan uw betrouwbaarheid blijken: bij het leven van de farao, u komt hier niet vandaan, tenzij uw jongste broer hier verschijnt. Door de opgevoerde druk door Jozef op de zonen van Jakob moeten ze alle mogelijke argumenten naar boven halen om hem te overtuigen dat zij geen spionnen zijn. Ze vertellen dat ze met twaalf waren en geven Jozef nog meer details om hem te overtuigen. Zo verneemt Jozef,zonen van Jakob,spionnen,neemt verdediging niet in acht,details over de familie,Benjamin,Jakob nog in leven,Jozef van de aardbol verdwenen,Henoch,ayin,bewijslast,Jozef meer over zijn vader en zijn jongst broer, die achtergebleven waren. Hij hoort dat zijn vader nog leeft en dat zijn volle broer, Benjamin, bij zijn vader is. Dit maakt hem ongetwijfeld blij maar hij laat da niet merken. Terwijl ze hun betrouwbaarheid proberen te bewijzen zijn ze ook Jozef aan het beliegen. Ze maken hem wijs dat er een zoon gestorven is. Jozef, de levende zoon van Jakob, krijgt zo de bevestiging dat zijn broers hem zeker op dit punt beliegen maar dat ze hem anderzijds zeker niet herkend hebben. Ze zeggen dat er een van de zonen “ayin” was, weg was zoals Henoch2, zonder lichaam achter te laten. Het was inderdaad ook hun bedoeling ook dat Jozef voorgoed uit hun leven te bannen omdat ze hem als een bedreiging beschouwden. Na al die jaren hoopten ze dan inderdaad dat hij van de aardbol zou verdwenen zijn op de een of andere manier. Ze hielden hun wensen voor waarheid. Jozef wist dat dit een ijdele wens was.

Jozef houdt voet bij stuk en aanvaardt hun uitleg niet als waarheid. Hij blijft duidelijk bij zijn vorige stelling en legt de materiële bewijslast bij zijn broers. Ze moeten bewijzen wat ze Jozef vertellen. Doordat ze meer over hun gezin vertelden in hun argumentatie, krijgt Jozef de gelegenheid om hen een bewijs te vragen. Er is nog een zoon die thuis is en dat kunnen ze bewijzen door hem naar Jozef te brengen. Jozef treedt hier op als een rechter die in naam van farao de voorwaarden stelt. Om zijn jongste - “qatan” in het Hebreeuws is ook “kleinste”- broer na al die jaren terug te zien. Hij wil er zich van te vergewissen dat de kleine, die onderhand toch meer dan twintig jaar moet zijn, in “shalom” leeft en niet belaagd werd door zijn broers. Daarom vraagt hij hen Benjamin te halen. Hij kan al zijn broers niet vrijlaten omdat ze nog steeds beschuldigd zijn van spionage zolang niet bewezen is dat ze nu wel betrouwbaar zijn. Dit kunnen ze voor Jozef aan tonen door hun broer, die nog in Kanaän is bij zijn vader, naar Egypte e laten komen.

 

1 Genesis 34,24-26; Genesis 37,18-33.

2 Genesis 5,24.

Post een commentaar