26 januari 2018

Dubbel zilver meenemen.

Jakob neemt nu als hoofdverantwoordelijke stamvader de volledige regeling van hun tweede tocht naar Egypte in handen. Hij wil niet dat er deze keer iets fout loopt. Genesis 43,12-14: 12 Neem ook twee keer zoveel geld mee, want ook het geld dat in je zakken teruggelegd was moet je mee terugnemen; misschien was het een vergissing. 13 Neem ook je broer dan maar mee, en ga opnieuw naar die man toe. 14 God de Almachtige zal zorgen dat die man jullie goed ontvangt en dat hij je andere broer en Benjamin met jullie laat terugkeren. Als ik mijn kinderen toch moet verliezen, dan moet het maar zo zijn!’ Dubbel zoveel geld moeten de zonen van Jakob in de hand houden om dat af te geven aan de meester van Egypte. Dat geld in de buidels tussen het graan was wellicht een vergissing, laat Jakob dubbel zilver,Jakob stamoverste,tweede tocht,in de hand houden,El Shadday,almachtige,onmacht van de mens,onstuitbare god,zoon van zijn voorspoed,Benjamin,Juda,belofte van een groot volk,uitschemeren. Jakob geeft ook het bevel om hun “andere” broer mee te nemen naar Egypte. Jakob spreekt de naam van Benjamin echter niet uit omdat dit hem nog steeds moeilijk ligt.

Jakob haalt in dit voor hem belangrijke moment de naam “El Shadday” aan, de god van de aartsvaders. De vertaling luidt de “Almachtige” en is te eenzijdig om de draagkracht van de Ene, die de aartsvaders ervaren, weer te geven. Het is de god van het verbond met Abraham1 die dat verbond hernieuwde met Jakob. Nadat zijn vader Isaak hem “El Shadday” had toegewenst2. Jakob kreeg op dat moment de naam Israël. Genesis 35,11: 11 Ook sprak God tot hem: `Ik ben God Almachtig. Wees vruchtbaar en word talrijk, een volk, een menigte van volken zal uit u voortkomen, en koningen zullen uit uw lenden uitgaan. Deze richtlijnen herinnert Jakob zich zeer goed maar hij beseft opnieuw3 dat hij, in weerwil van al zijn bevelen en regelingen, eigenlijk zelf zeer weinig kan doen om zijn zonen terug te krijgen. Hij moet alles uit handen geven en legt zich volkomen neer bij de gang van de geschiedenis, die El Shadday voor heeft met zijn volk. Toch klinkt er al onmiddellijk vertrouwen mee in de overgave van Jakob aan de Ene. De “Onstuitbare” god, die Israël een goed hart toedraagt, zal zorgen dat die Egyptische meester toegeeflijk is en hij zal Benjamin en die andere zoon, zonder naam, kunnen terugkeren naar Hebron.

Toch klinkt er enige onzekerheid maar vooral gelatenheid mee bij wat Jakob zegt. Dan moet het maar zo zijn! Het Hebreeuws “shakol or shakal” staat voor het beroofd zijn van kinderen, het onvruchtbaar zijn, kinderloos gemaakt worden. Nu vooral als Jakob zijn zoon van voorspoed moet meegeven naar Egypte samen met al zijn broers. Toch staat die uitlating in verband met het hoopvolle dat zit in de passage waarin het vertrouwen uitgedrukt wordt in El Shadday”. Het onvruchtbaar zijn is tegengesteld aan wat de Ene verwacht van de aartsvaders. Ze moeten vruchtbaar zijn en talrijk worden. Met deze mensen vol vertrouwen overleeft immers de belofte van een groot volk.

 

1 Genesis 17,1.

2 Genesis 28,3.

3 Genesis 32,10-12.

Post een commentaar