05 februari 2018

Benjamin lijkt sterk op zijn moeder, Rachel.

Jozef doet zijn best omdat zijn elf broers aan niets zouden kunnen vermoeden dat hij hun broer is. Hij is en blijft voor hen de Egyptische meester waar ze graan kunnen kopen om te overleven in die jaren van hongersnood. Genesis 43,29-31: 29 Toen hij rondkeek en zijn jongste broer Benjamin zag, de zoon van zijn moeder, zei hij: ‘En dat is dan uw jongste broer, over wie u sprak?’ En hij zei: ‘God zij u genadig, mijn zoon.’ Jozef had Benjamin al opgemerkt en herkend toen ze zich aanboden aan de opslagplaats om graan te kopen. Toen gaf hij, zonder echt de identiteit van de jongste van de bende na te zien, zijn huismeester immers de opdracht hen naar zijn paleis te brengen en een feestmaaltijd voor te bereiden. De Benjamin,Rachel,Egyptische meester die graan verkoopt,bewijs van betrouwbaarhheid,verborgen agenda van Jozef,hoffelijkheid,Juda,mijn zoon,zegen voor Benjamin,broers hadden, door Benjamin mee te brengen, bewezen dat ze de waarheid hadden verteld over hun familie. Dit was immers de voorwaarde die Jozef stelde om hen niet te behandelen als spionnen. Dit bewijs van hun betrouwbaarheid over wat ze zegden was voorlopig voldoende voor Jozef.

De verborgen agenda van Jozef, bij zijn vraag naar een bewijs van de betrouwbarheid van zijn tien broers, was een ontmoeting met zijn jongste broer, Benjamin. Na zijn dagtaak ging Jozef naar zijn paleis. Hij keek hij uit naar het feestelijk samenzijn met al zijn broers. Na de gebruikelijke hoffelijkheid kreeg Jozef wat meer tijd om kennis te maken de jongste zoon van zijn vader. Hij vraagt ogenschijnlijk verrast door het voorkomen van de dertiger of dit nu wel de jongste broer was, over wie ze hem gesproken hadden bij hun vorige ontmoeting. Deze vraag lijkt ook op een ultieme rechterlijke toets of Benjamin nu wel kon doorgaan als het bewijs van hun betrouwbaarheid.

Jozef merkte dat Benjamin echt de zoon van zijn moeder Rachel was. Haar trekken herkende hij bij zijn jongste volle broer, die zelf nooit zijn moeder gekend heeft1. En in zijn gedachten komen de beelden terug van zijn lieve moeder, die hij veel te vroeg verloren is, en zijn kleine broertje, dat hij niet heeft zien opgroeien. Benjamin was nog een kind toen Jozef verkocht werd aan de Midjanieten.

De onderkoning van Egypte spreekt nu een unieke zegen uit over zijn broer: God zij u genadig, mijn zoon. De genade van Elohim hadden de andere broers volgens de rentmeester al ondervonden toen ze hun zilver tergvonden in hun tassen. Heel Egypte was overtuigd van de genade die de Elohim van Jozef, een Hebreeuw, gaf aan alle mensen. Jozef weet wat die persoonlijke zegen betekent want hij werd ook met de genade van de Ene gezegend om zo een zegen te kunnen zijn voor Egypte en omstreken2. Jozef weet dat de voorraden aan voedsel waarmee hij nu zoveel mensenlevens kan redden te danken is aan het inzicht dat hij kreeg van Elohim. Hij had de genade van Elohim op deze manier ervaren. Jozef spreekt zijn broer aan met zoon. Dit kan door het leeftijdsverschil maar zeker ook door het statusverschil en deze term verraadt daarenboven niet dat Benjamin zijn broer is.

 

1 Genesis 35,16-19.

2 Genesis 12,2-3.

Post een commentaar