13 februari 2018

De beker wordt bij Benjamin gevonden.

Met hun snelle paarden halen de bedienden van Jozef de kleine karavaan met de beladen ezels snel in. Ze zijn amper buiten de stad als ze tot stilstand gebracht worden. De huismeester doet en zegt precies wat Jozef hem had bevolen. Hij spreekt over de gestolen beker die hij omschrijft als zeer waardevol. Het is de zilveren beker van zijn meester en het is daar bovenop nog een magische beker. Dit vergroot de ernst van de diefstal en dit is een zeer foute daad. De Hebreeuwse stam “ra'a'” zit in dat woord en dit komt van het werkwoord “ra'ah” dat breken of kapotmaken betekent. Ook in dit begrip wordt de ernst van de misdaad aangegeven. Het maakt het vertrouwen kapot dat hen gegeven werd. Genesis 44,6-12: 6 Toen de hofmeester hen had ingehaald, zei hij alles wat hem opgedragen was. 7 Zij antwoordden: ‘Hoe is het mogelijk dat mijn heer zoiets kan zeggen? Uw dienaren zouden er nooit aan denken zoiets te doen! 8 Wij hebben immers het geld dat wij bovenin onze zakken gevonden hadden, uit Kanaän teruggebracht; hoe kunt u dan denken dat wij zilver of goud stelen uit het huis van uw heer? 9 Als er bij een van uw dienaren iets wordt gevonden, zal hij sterven en Benjamin,gestolen beker,Jozef,vertrouwen verloren,god verhoede,onbezonnen voorstel,straf voor de dader,slaaf,Benjamin,zullen wij de slaven zijn van uw heer.’ 10 Toen zei hij: ‘Goed, het zal gebeuren zoals u zegt. Degene bij wie de beker gevonden wordt, zal mijn slaaf zijn; maar de overigen gaan vrijuit.’ 11 Ieder van hen haastte zich zijn zak op de grond te zetten en deed die open. 12 Hij controleerde ze, beginnend bij de oudste en eindigend bij de jongste. In de zak van Benjamin werd de beker ontdekt. De zonen van Jakob reageren verontwaardigd omdat ze verdacht worden van die diefstal. Ze noemen zich alweer dienaren als ze laten verstaan dat ze zelfs niet zouden durven denken aan zo’n misdaad. Ze gebruiken daarbij de Hebreeuwse uitdrukking “chalilah” dat zoveel betekent als God verhoede het. Dit komt overeen met een eed1. In hun verdediging herinneren ze de huismeester dat ze hem toch verteld hadden dat ze het geld dat ze de eerste keer in hun zakken hadden gevonden toch ook weer meehadden om het terug te geven. Zo eerlijk zijn ze dat ze zelfs geen profijt willen halen uit een vermoedelijke vergissing. Om de rentmeester te overtuigen van hun onschuld, zetten ze het leven op het spel van de dader en de vrijheid van alle andere broers. De dader mag gedood worden en de andere broers mogen levenslang krijgen. Zo’n onbezonnen voorstel kregen we al eens bij het antwoord van Jakob aan Laban die hen verweet dat hij zijn huisgoden gestolen had2. Zo zeker zijn ze van hun onschuld. De rentmeester wil niet ingaan op hun overmoedig voorstel en houdt het bij een straf voor de dader van de diefstal. Nog voor hij een dader heeft gevonden, wijzigt hij de uitdaging van de broers en zegt hun dat de dader slaaf zal worden en dat de anderen vrijuit gaan. De huismeester van Jozef gaat nu alle zakken controleren.

Snel halen ze de zakken van hun ezels en zetten ze op de grond. Zonder enige aarzeling, overtuigd van hun onschuld en misschien ook in de hoop na dit onverwachte oponthoud snel te kunnen vertrekken naar hun familie.

De huismeester van Jozef inspecteert de zakken en doet dit ook in de volgorde van leeftijd. Hij had immers gezien dat Jozef zijn broers netjes schikte aan tafel volgens hun leeftijd en past nu ook deze volgorde toe3. Eens hun zakken nagezien waren, haasten ze zich om ze weer dicht te binden om ze later op hun lastdieren vast te binden om geen tijd te verliezen. Maar de bedienden van Jozef vinden uiteindelijk toch die hele speciale beker in de zak van Benjamin. Dit alles hoort bij de vertoning die Jozef opgedragen had. Heel het opzet moet draaien om de vrijheidsberoving van Benjamin, de jongste zoon van Rachel. Jozef wil de reactie van zijn broers kennen als Benjamin slaaf zou worden om te weten hoe ze deze keer zullen reageren.

 

1 Genesis 24,41.

2 Genesis 31,32.

3 Genesis 43,33.

Post een commentaar