28 juni 2017

Het zinvolle verhaal van Jakob.

Genesis 33 is het gevolg van het nachtelijk gevecht van Jakob. Jakob veranderde zo erg omwille van de nieuwe inzichten die hij onder druk van zijn angst kreeg. Hij was verplicht zichzelf in een bredere context te plaatsen. Hij ondervond zo dat zijn eigen drijfveren en realisaties erg waardeloos waren als ze geconfronteerd werden met rechtvaardigheid en evenwicht in een samenleving. De problemen ontvluchten, bood hem geen oplossing omdat hij nooit tot het zinvol bestaan zou komen. Hij zou de bedoeling van zijn leven, waartoe hij geroepen was, niet kunnen waarmaken.

Anderzijds weet Jakob ook dat het belangrijk is niet zorgeloos door het leven te snieuw inzicht gedreven door angst,niet zorgeloos maar beschermd,zegen is geschenk,broedelijkheid hersteld,kwetsbare mensen kunnen trots achterwege laten,verzoenen,vriendschap zonder verlies van eigenheid,vijandschap in het hoofd van de schrijvers,tappen en alles over te laten aan een miraculeuze wonderdoener. Jakob beseft dat de middelen, die hij gekregen heeft, kunnen helpen tot rechtvaardiging. Zijn kudden die hij als zegen kreeg, werden grotendeels een zegenrijk geschenk van zijn broer Esau. Op die manier voert hij een strijd naar rechtvaardigheid met de middelen ontvangen van de Ene. Zo werd de oude knoop van het probleem waarin hij zich gewerkt had, na twintig jaar ontward. De broederlijkheid was hersteld. Esau laat eigenlijk verstaan dat het gebaar en het betuigen van nederigheid voor hem volstonden om die oude vete weg te wissen. Die nederige houding maakte verzoening mogelijk. Twee kwetsbare mensen kunnen, na het laten vallen van hun trots, elkaar tegemoet treden. Jakob stapt helemaal onbeschermd voorop net als Esau. De oudste broer komt los van zijn machtige troepen en de jongste gaat voor zijn familie uit om opnieuw broer te worden. Dan kan men het gelaat van de Ene zien bij de andere1. Dit gebeuren, waarvoor geen woorden zijn, heeft menselijke inzet nodig en is geen zaak van de bovenwereld alleen. Er is omarmen, kussen en wenen die opgenomen worden in dat beeld van verzoening. Toch blijven de broers anders geaard en is samenleven niet mogelijk en niet wenselijk. Daarom volgt Jakob niet dezelfde weg van zijn broer Esau. Hun levensinzicht is totaal anders maar daarom hoeven ze niet eeuwig in conflict te leven. Elk gaat zijn eigen weg.

Hoe mooi ook dat verhaal is van de verzoening, het wordt vanuit het standpunt van het latere Israël meegekleurd. De vijandschap tussen de twee volken zit in het achterhoofd van de schrijvers en herschrijvers van dit verhaal. De strijd begon al heel vroeg in de baarmoeder en wordt verder een verhaal over oorlog en vrede tussen twee broedervolken. Oorlog is een mensenkwestie. Het begint bij mensen dicht bij elkaar. Volkeren die voortkomen uit bloedbanden. Esau, de vader van de Edomieten, en Jakob worden in hun conflict doorheen de geschiedenis van de volken gesleurd. Toch hadden we het geluk een betekenisvolle kentering te kunnen ondervinden in hun levensbeschrijving.

 

1 Genesis 33,10.

27 juni 2017

Altaar voor ‘El, de God van Israël’.

De keuze om naar Sichem te trekken verbaast ons enigszins. Men zou verwachten dat Jakob naar zijn verwanten gaat en naar zijn vader Isaak. Zijn belofte na de droom in Betel zou ons zelf kunnen laten vermoeden dat hij eerst daarheen zou trekken om na het oprichten van een wijsteen een huis voor de Ene op te trekken1. Maar ook deze richting gaat hij niet uit. Bethel had voor ons immers al een ruimere betekenis en was niet te verbinden met een welbepaalde plek waar de hemel en de aarde samenkomen. Ook Peniël was inmiddels zo’n ontmoetingsplaats geworden. Waar Jakob ook gaat en beseft dat er een eenheid is tussen natuur en bovennatuur is het Betel. Betel is overal waar deze eenheid ervaren wordt. Nu gaat Jakob zijn dankbaarheid voor de bescherming die hij al die tijd genoot en zijn behouden thuiskomst op een andere manier en in een plaats met een algemene religieuze uitstraling uitdrukken. Hij heeft ondertussen dank zij zijn ervaringen ook een vernieuwde visie op de Ene.

Deze keuze om naar Sichem te trekken was gewoon omdat deze stad zo belangrijk was voor het jonge volk van Israël. Het was een plaats van religieus thuiskomen. Abraham was de eerste die dicht bij de heilige plaats van de eik een Hebreeuws religieus baken plaatste. Genesis 12,7: 7 Daar verscheen Jahwe aan Abram en zei: `Aan uw nageslacht zal Ik dit land in bezit geven.' Toen richtte hij daar een altaar op ter ere van Jahwe, die hem verschenen was. Nu koopt Jakob buiten de stad een stuk land en bouwt daar een altaar.

Dat Sichem een religieus centrum was in de tijd dat de Hebreeuwen er toekwamen weten we dus al uit het verhaal van Abraham. De eik van More was toen het religieuze symbool2 voor de bewoners van die regio. Abraham maakte een onderscheid en richtte er zelf zowat honderdvijfentachtig jaar voor Jakob een altaarSichem,Betel,Hebron of Berseba,Betel is overal,vernieuwd inzicht op god,Sichem is religieus thuiskomen in Kanaän,persoonlijke god wordt een god van het volk en het land,naam Israël is veelzijdig, op ter ere van Jahweh. Na Jakob zal het nog een hele tijd ook de religieuze hoofdstad blijven voor het volk van Israël. Nu is het altaar van Jakob bedoeld voor El, de god van Israël. Vertaald zou dit klinken als de machtige, de god van Israël. Het accent verschuift nu van een aanwezige persoonlijke god naar een god van land en volk. Dit wijst ook op een verschuiving van visie. Waar de Ene in de ogen van Abraham een persoonlijke god was, wordt deze nu een god van het volk en het land. We hebben de indruk dat de belofte van de Ene begint vorm te krijgen in nageslacht is nu goed op weg om uit te breiden tot een volk. Ook de aankoop van Jakob van een stuk grond waar hij een tijdje zal wonen, kunnen we zien als het begin van het beloofde land. De andere gebieden waar de Hebreeuwen zich vestigden waren hen toegezegd door de plaatselijke heersers. Abraham kwam in Hebron3 waar hij aanvaard werd door de stammen van Aner, Eskol en Mamre. In Berseba kwamen zowel Abraham als Jakob tot een overeenkomst over het gebruik van de regio met koning Abimelek van Gerar.

De naam Israël is echter zo veelzijdig dat het ook de god van Jakob zou kunnen zijn op zijn beste momenten als “ish” als hij de naam Israël waardig is. De naam Israël wordt echter maar uitzonderlijk gebruikt voor Jakob en dan nog meestal in verband met land of volk. Dan is hij een prins met El volgens vroeger bijbelanalisten. Deze verklaring is te wijten aan de nauwe verwantschap tussen het Hebreeuwse woord voor de prins en de naam Israël. Nu gaat de voorkeur uit naar de omschrijving die we na de verschijning in Peniël hadden. De naam Israël drukt de wens uit dat de Ene strijdt en zich manifesteert in de mensheid. Het altaar van Jakob wordt nu gebouwd op een nieuw aangekocht terrein buiten de stad moet de dankbaarheid uitdrukken tegenover de Ene die het opneemt voor de mensheid. Op sommige momenten zijn de gedragingen of de omstandigheden waarin Jakob terechtkomt daar een uiterlijk teken van.

 

1 Genesis 28,22.

2 Genesis 12,6.

3 Genesis 13,18.

26 juni 2017

Sichem wordt de eerste stopplaats in Kanaän.

Jakob steekt de Jordaan over met heel zijn stam en zijn vermogen dat hij verworven heeft in Haran. Genesis 33,18-20: 18 Vanuit Paddan-Aram kwam Jakob veilig aan in de stad Sichem, in Kanaän; hij sloeg zijn tenten op ten oosten van de stad. 19 Hij wist van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken het land te kopen waarop hij zijn tent had neergezet. 20 Daar richtte hij een altaar op en noemde het: ‘El, de God van Israël’. Dit is niet de eerste en de laatste keer dat het volk van Israël de Jordaan oversteekt richting beloofde land. Het hele reisverhaal van Jakob wordt hier samengevat door zijn vertrekpunt en zijn aankomstplaats te vermelden. Van Paddan-Aram naar Sichem. Hij volgt de weg van zijn voorvader. We horen hier een herhaling van de geschiedenis van Abraham die ook vertrok uit Haran. Deze gelijkenis is blijkbaar sterker dan de keuze van Jakob om zijn vader op te zoeken bij zijn terugkomst. Genesis 12,4-6: 4 Toen trok Abram weg, zoals Jahwe hem had opgedragen, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar toen hij Haran verliet. 5 Met zijn vrouw Sarai en met Lot, de zoon van zijn broer, met al hun bezittingen en met degenen die zij in Haran in dienst hadden genomen, ging Abram op weg naar Kanaän. In Kanaän aangekomen, 6 trok Abram het land in, tot bij de heilige plaats van Sichem, de eik van More. Toentertijd waren de Kanaänieten nog in het land. Twee generaties verder is er niet zoveel veranderd. Nog steeds is Kanaän bewoond door andere volken en zijn de Hebreeuwen er te gast. Ze kunnen er hun tenten opslaan buiten de steden maar hebben geen vaste woonplaats. Dat is nu eenmaal de levenswijze van nomaden met kudden. De uitdrukking dat Jakob in “shalem”, in vrede toekwam in Sichem, is in overeenstemming met de belofte van Genesis 28,21. Dit wijst eropJordaan oversteken,Hebreeuwen steken over,herhaling van de geschiedenis van Abraham,van Haran naar Sichem,Kanaän bewoond door vreemde volken,Jakob komt in "shalem"- vrede - toe,Hebron,Gerar,Berseba,koopt stuk land,niet zo domme ezel,Hemor,ezel drager van nobele en gezegende personen, dat zij als nomaden geduld worden. In de vroegere nederzetting rond Hebron, Gerar en Berseba evolueerden de Hebreeuwen naar een halfnomadisch bestaan en deden ze aan landbouw dan waren ze soms minder gegeerd. De aankoop van het stuk land door Jakob verloopt probleemloos omdat het alleen maar bedoeld om zijn tent op te slaan.

Jakob koopt dat stuk land van de nakomelingen van Hemor waarvan Sichem een zoon was. Naar de zoon werd de stad genoemd. Abraham was de laatste die een stuk land had aangekocht. Dit was de begraafplaats van Makpela.

De naam Hemor is afgeleid van mannelijk ezel, “chamor” in het Hebreeuws. Het familiewoord “chamar” verwijst dan naar bevuilende leem wat kan verwijzen naar de kleur van de ezel en naar de leemkleurige grond in Sichem. Dit verband kan ook verwijzen naar het bevuilen van de visie van de stam van Jakob. In de Bijbelverhalen zijn de ezels niet als dom maar eerder afgeschilderd als waardevol1 grillig en eigenzinnig. Ze zijn in deze gebieden de nobele en gezegende, voorzichtige en vredevolle dragers van belangrijke personen zoals mythische figuren, koningen en profeten2. Een deel van de mythe over de domheid, en ook de uitdrukking zo koppig als een ezel verwijzen naar andere vaststellingen. Bij dreigend gevaar blijven ezels stokstijf staan, het zijn geen vluchtdieren. Een bange ezel doet echt niet meer wat de eigenaar wilt, en dat wordt bestempeld als ‘koppig’, maar ook als ‘dom’ omdat ze niet onmiddellijk vluchten voor gevaar.

 

1 Heel wat wetten om de bezitter van een ezel te beschermen in Exodus 21,33 en 22,3 en 9; Deuteronomium 22,4 …

2 Numeri 22 het verhaal van de ezelin van Bileam. Genesis 16,12; 2 Samuel 16,2; 1 Koningen 1,33 en 38-40;  Rechters 5,10 en 10,3. Mari-tabletten uit Syrië.

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende