20 juni 2017

Esau heeft genoeg maar Jakob heeft alles.

Het weigeren van een geschenk door een heerser is zeer bedenkelijk voor de schenker. Daarom dringt Jakob zo hard aan. Genesis 33,10-11: 10 Maar Jakob drong aan: ‘Geen sprake van! Als je mij werkelijk goed gezind bent, neem dan dit geschenk van mij aan. Ik heb tegen jou opgezien, zoals men tegen God opziet, maar je hebt mij welwillend ontvangen. 11 Aanvaard toch het geschenk dat ik je aanbied; God is goed voor mij geweest, zodat het mij aan niets ontbreekt.’ Toen hij zo bleef aandringen, nam Esau het aan. Nadat Esau uit de mond van Jakob hoorde hoe nederig hij was, wil Jakob nu gewoon weten of zijn broer Esau zijn vriendelijkheid alleen maar veinst. Het weigeren van een geschenk is zo goed als het afslaan van een overeenkomst. Het staat gelijk met het verwerpen van vriendschap of het niet aanvaarden van verzoening. Daarom gaat Jakob niet alleen aandringen maar hij maakt duidelijk aan zijn broer dat hij omwille van het wegwerken van vijandige spanningen dit geschenk moet geven. Psalm 41,11-12: 11 Heer, ontferm Gij U, richt mij op, en ik zal hen naar mijn trant betalen, 12 hieraan weten dat Gij naar mij omziet: over mij roept geen vijand triomf!. Hier geeft Jakob zich bloot en geeft hij toe dat hij angstig was voor de wraak van Esau na het onrecht dat hij zijn broer had aangedaan.

Jakob blijft aandringen om zijn broer te overtuigen de geschenken aan te nemen. Jakob noemt god Elohiem als hij over de Ene spreekt. Hij gaat heel omzichtig om met de term god en wil zijn broer niet dwingen in te stappen in het verhaal van El Shadday die zich aan Jakob bekend maakt als Jahweh, zijn persoonlijk aanwezige god. Er zijn verschillende visies op het bovennatuurlijke waarvan Elohiem deaandringen om het geschenk aan te nemen,geweigerd geschenk is afwijzing en vijandigheid,afslaan van overeenkomst,Elohiem de algemeen aanvaarde term voor god,El Shadday de onstuitbare god,Jahweh de persoonlijke god,Jakob heeft niet alleen genoeg hij heeft alles,perfecte toestand, algemeen gangbare is. Dit is de algemene term voor god die begrepen wordt door alle andere volken. Het was deze Elohiem die schepper was, die bijvoorbeeld ook gekend was door de Egyptische Hagar en de Aramese Laban. Deze visie op god verschilt in veel facetten van de Hebreeuwse visie. De aartsvaders kennen god op in veel meer hoedanigheden. Zij kennen hem als El Shadday, die hen beschermt en zijn plannen doorzet in de loop van de mensengeschiedenis. Ze benaderen na verloop van tijd die god als de god van hun volk en hun land en noemen hem Jahweh, de god van het verbond.

Jakob maakt een vergelijking tussen de houding van Esau en deze van Elohiem. Als er voor Elohiem geofferd wordt dan ziet hij welwillend toe en schenkt hij vergiffenis voor de fouten. Met deze uitdrukking schets Jakob tegelijk een positief beeld van de Ene. God, hoe je hem ook bekijkt, is vergevingsgezind en loyaal voor de mensen. Jakob bevestigt dat Esau dit ook uitstraalt. De houding van Esau past in het droomverhaal van Betel waar El Shadday aan Jakob bescherming en een goed thuiskomst belooft1. Het rijmt eveneens met zijn nachtelijk gevecht2 waardoor hij gesterkt wordt en de bijstand van het hemelse engelenleger3 en de boodschappers, die Esau goedstemmen.

Onmiddellijk daarna geeft Jakob de werkelijkheid aan van die goddelijke genade die hij ervaart. Ik heb alles want de Ene is goed voor mij. Meer kan ik niet wensen. Ik heb “kol” in het Hebreeuws. Dit betekent alles en is afgeleid van het werkwoord “kalal” dat perfect maken betekent. Daarmee overstijgt Jakob het “rab” van zijn broer dat genoeg betekende.

Dit komt er op neer dat Jakob zo geweldig gezegend is en daardoor aartsvader van Israël kan worden die de zegen van de Ene kan uitdelen. Zo kan hij een zegen zijn voor de anderen, ook voor zijn broer Esau die zijn leven anders leeft.

Esau is overtuigd en hij wordt gezegend met de geschenken van zijn broer. De geschenken zijn de materiële kant van de zegen. Het woord zegen wordt meer dan eens4 gebruikt waar het over geschenken gaat in de Bijbel.

 

1 Genesis 28,15.

2 Genesis 32,29.

3 Genesis 32,2-4.

4 Jozua 15,19; Rechters 1,15; 1 Samuël 25,27; 1 Samuël 30,26; 2 Koningen 5,15.

19 juni 2017

De andere keuze van Esau.

Esau begrijpt enigszins tot wat de zegen van de Ene leidt. Zoals zoveel wereldburgers aanvaardt hij de zegen van de schepping maar hij neemt afstand van de doorgedreven verantwoordelijkheden van eerlijkheid, broederlijkheid en respect die in het goede beheer van de schepping gevraagd worden. Hij is een jager en een heerser naar het model van de Babylonische Nimrod. Genesis 10,8-12: 8 Kus verwekte Nimrod. Deze was de eerste machtige heerser op aarde; 9 hij was een geweldig jager voor Jahwe. Vandaar dat men zegt: `Een geweldig jager voor Jahwe, net als Nimrod.' 10 Oorspronkelijk lag zijn rijk in Babel, Erek, Akkad en Kalne, in Sinear; 11 vanuit dat land trok hij naar Assur. Hij bouwde Nineve, Rechobot-ir. Kalach, 12 en Resen, tussen Nineve - de grote stad - en Kalach. Het is net weer uit die sfeer, uit die samenleving, dat Jakob gevlucht is. Daarin volgt hij zijn voorvader Abraham die ook deze manier van leven ontvluchtte om te zoeken naar een “beter leven”. Esau kiest voor verovering,zegening van de schepping krijgen,geen verantwoordelijkheid voor de scheppingsorde,Nimrod de veroveraar,gevolgen van goddelijke zegen,gevecht in de baarmoeder,huwt tegen de zin van zijn ouders vrouwen van andere stammen,afstand van eerstgeboorterecht,hij heeft genoeg maar er kan nog eigendom bijkomen,wijst verbond met de Ene af,

Esau leeft van zijn zwaard en heeft een andere visie op het leven. Daarom kan hij niet in het beloofde land blijven wonen. Dat had zijn vader Isaak al voorzegd in Genesis 27,39: 39 Daarop nam zijn vader Isaak het woord en zei: `Ver van de vruchtbare grond zul je wonen, ver van de dauw uit de hemel van boven. Esau is niet vatbaar voor de uitbreiding van de goddelijke zegen, de dauw uit de hemel, en weigert daarvoor in eerste instantie de gaven van zijn gezegende broer. Hij zegt Jakob dat hij rijk genoeg is en dat hij geen geschenken hoeft. Zijn moeder wist al van voor de geboorte van haar tweeling dat het de foute kant zou uitgaan met Esau. Er was reeds een gevecht in de baarmoeder. Later kreeg ze bevestiging als ze zag hoe Esau in het leven stond als jager en vooral als ze problemen had met de houding van zijn Hettitische vrouwen uit Kanaän. Genesis 27,46: 46 Rebekka zei eens tot Isaak: `Het leven valt mij zwaar met die Hethitische vrouwen. Als Jakob nu ook nog trouwt met meisjes van hier, met die Hethitische, dan heb ik helemaal geen leven meer.' Vroeger was er ook al een vermelding van dat probleem in Genesis 26,34-35: 34 Toen Esau veertig jaar was, huwde hij Jehudit, de dochter van de Hethiet Beeri, en Basemat, de dochter van de Hethiet Elon. 35 Deze vrouwen waren een kwelling voor Isaak en Rebekka.

In dit verhaal doet Esau eigenlijk afstand van het eerst geboorterecht hij wil die gaven die voorgesteld worden als een goddelijke zegen niet aanvaarden. Hij begreep de taal niet van de engelboodschappers die de kudden naar hem toebrachten. Hij begreep evenmin dat Jakob zo’n mooi gezin had. Dat alles door de zegen van de Ene. Deze zegen heeft hij niet nodig, hij is sterk en heeft een zwaard. Hij heeft nog nooit een nachtelijk gevecht gehad met zijn hogere identiteit, ish, en blijft een ”ben adam”. Esau stelt zich daar geen vragen over en wil daar ook niet in meegaan. Nee liever niet dat gezegend geschenk. Dat is iets dat beter past bij zijn broer Jakob. Het beter leven voor Esau ligt in zijn persoonlijke bezittingen waarvan hij “rab” had, genoeg had, staat er in het Hebreeuws. Dit is afgeleid van het werkwoord “rabab” dat ook vermeerderen, vermenigvuldigen betekent. Hij heeft blijkbaar genoeg maar er kan nog altijd bijkomen. Wat eerst leek op een bewonderenswaardig loyaal gebaar tegenover zijn jongere broer is eigenlijk een afwijzen van het verbond met de Ene. Een zegen voor de andere volken zijn ligt niet in de aard van Esau.

16 juni 2017

De gezegende is een zegen voor anderen.

Jakob was in alles gezegend. Niet alleen met een rijk nageslacht maar ook met een grote veestapel en bezittingen. Zo kon hij een zegen zijn voor de anderen zoals zijn voorvaders. Genesis 33,8-9: 8 Toen sprak hij: ‘Van wie zijn toch al die kudden die mij tegemoet zijn gekomen?’ Hij antwoordde: ‘Ik wilde mijn heer gunstig stemmen.’ 9 Maar Esau zei: ‘Ik ben rijk genoeg, mijn broer; wat van jou is moet van jou blijven.’ Esau reageert ook op alle geschenken die hem eerder door Jakob toegestuurd werden1. Dit was een teken van de zegen van Jakob. In zijn vraag omschrijft Esau die geschenken als “machaneh”. Door precies dit woord te gebruiken verwijst dit naar de naam Machanaïm. Dit was de naam die Jakob gaf aan de plaats waar hij het leger van de Elohiem aanvoelde. Esau haakt dus met zijn woordgebruik bij zijn vraag in op de vrijgevige god die Jakob vermeldde toen hij zijn gezin voorstelde aan zijn broer. Het woord “machaneh” vertoont gelijke trekken met de werkwoorden “chanah”, in tenten of kampen verblijven, die bescherming bieden, en “chanan”, genade verlenen en wordt hier gebruikt voor de troep kudden die vergeleken worden met een legerkampJakob was gezegend,hij kon een zegen zijn voor de anderen,hij kon delen van zijn bezit,Esau is rijk genoeg,Machaneh,Machanaïm,genade verlenen,in de tentenkampen verblijven,genade verlenen,kudden in opmars als geschenk,roeping van Abraham,zegen zijn voor andere volken,adon,macht en bezit,gunstig stemmen,bevestiging in zijn waardigheid,geen suprematie bewijzen,geschenken om hem te overtuigen van de Ene,weigert de goddelijke gaven, in opmars2. Samen met een tweede element over de boodschappers die de kudden vergezelden, die we als engelen1 afschilderden, is af te leiden dat er hier iets bovennatuurlijks aan de hand is. Esau kan wellicht door dit woordgebruik duidelijk maken dat hij ook ondervindt dat Jakob genade krijgt van de Ene.

Deze redenering ligt helemaal in de lijn van de zegen die uitgesproken wordt door El Shadday over de aartsvaders. Abraham wist bij zijn roeping uit Haran al onmiddellijk welke richting het zou uitgaan. Genesis 12,2: 2 “Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat gij een zegen zult zijn.” Het gezin van Jakob is het begin van dat volk en de gaven die hij aan zijn broer wil geven zijn al een voorbeeld van de zegen die Jakob, die nu ook Israël noemt, is voor andere volken.

In alle nederigheid noemt hij zijn broer een “heer” een “adon”, meester en eigenaar. Met deze benadering legt Jakob de nadruk op de macht en het bezit dat zijn broer veroverd heeft in al die tijd. Jakob zegt zijn broer dat die gaven bedoeld waren om hem gunstig te stemmen. Dit lijkt inmiddels gelukt. Hoewel de boden al verschillende keren herhaald hadden dat Jakob zich opstelt als de dienaar van Esau, wil hij het nog eens uit de mond van Jakob zelf horen. Dit is nog een andere reden waarom hij deze vraag stelt. Het antwoord volstaat hem en bevestig hem in zijn waardigheid. Zo moet hij zijn suprematie niet meer bewijzen en hoeft hij zich niet al eisende partij voor te doen.

Daarom wil Esau niet onmiddellijk die gaven in ontvangst nemen. Hij heeft genoeg aan zichzelf en aan zijn bezit. Eigenlijk vermoedt hij dat deze geschenken deel uitmaken van een goddelijk plan om hem te overtuigen mee te stappen in het volk van Jahweh. Dat wil hij niet en daarom heeft hij die goddelijke gaven niet nodig. De god van Jakob is toch niet de god van Esau, die meer om eigen bezit geeft. Esau voelt er niets voor om enige verantwoordelijkheid op te nemen om de wereld een betere plaats te maken zoals de besnedenen van hart betrachten.

 

1 Genesis 32,13-22.

2 zie bijdragen: “Jakob voorziet problemen” en “Alles wordt duidelijk met de nieuwe dag.”