30 mei 2017

De Ene, god van de voorvaders en van de persoonlijke god van Jakob.

Als een stamhoofd met verantwoordelijkheid heeft Jakob alle maatregelen genomen die in zijn bereik lagen om zich te verdedigen tegen eventuele aanvallen. Genesis 32,10-13: 10 En Jakob bad: ‘O God van mijn vader Abraham en God van mijn vader Isaak, de Heer die tegen mij zei: “Ga terug naar uw land en uw verwanten, en Ik zal u met weldaden overladen”: 11 uw dienaar is al uw gunstbewijzen en al uw blijken van trouw niet waardig’. Ik had alleen maar een stok toen ik de Jordaan hier overstak, en nu ben ik tot twee groepen uitgegroeid. 12 Maar red mij nu ook uit de greep van mijn broer Esau, want ik ben bang dat hij mij verslaat, met moeder en kinderen. 13 U hebt mij toch beloofd: “Ik zal u met weldaden overladen, en uw nageslacht zal Ik zo talrijk maken als het zand aan de zee, zo talrijk dat het niet te tellen is.” ’In angst en bij het vallen van de avond overschouwt Jakob de situatie. Hij denkt dat hij in het nauw gedreven is en zoekt nu zijn toevlucht tot de hemelse machten. In een ontzagvolle manier begint hij te bidden en spreekt de Ene aan met Elohim van mijn grootvader en van mijn vader. De god van de aartsvaders die we al vaker El Shadday noemden. Jakob noemt de Ene nog in hetzelfde vers Jahweh, zijn persoonlijk aanwezige god. Hij erkent in zijn gebed de “checed”, de loyauteit van de Ene in het verbond en de “emeth”, de vaste trouw van de Ene. Jakob beseft dat hij deze genade niet waard is.

Deze passage is het eerste gestructureerde gebed dat we lezen in de Bijbel. De verantwoordelijk stamhoofd,angst,vallen van de avond,bidt ontzagvol,compleet gebed,dank voor steun,steun voor wat zal volgen,binding van Isaak,kwestie van alle stamvaders in het plan van El Shadday,aanroeping waarmee het gebed begint, kadert heel precies de Ene gezien vanuit het standpunt van de Hebreeuwen. De Ene is de god van de voorvaderen en tegelijk ook de persoonlijke god. Het is deze god die hem ook het bevel gaf om terug te keren naar het huis van zijn vader1. Daarvoor zou hij beloond worden. Jakob drukt zijn nederige dankbaarheid uit voor de steun die hij al kreeg van het ogenblik dat hij vertrok uit Berseba tot op heden. Tegelijk schets Jakob dat hij ontzaglijk begenadigd werd. Hij had alleen maar een staf toen hij vertrok uit het beloofde land en nu kan hij bogen op twee legers.

Jakob heeft zelf zijn voorttrekkende stam verdeeld in twee delen maar ook erkend dat er hem een hemels leger van engelen beschermde. Deze engelen zijn geen god voor Jakob, net als de god van Nachor en de teraphim geen goden zijn. Hier maakt hij duidelijk in zijn gebed dat alleen de Ene, die hij net goed omschreven heeft, van tel is voor hem. Hij vervolgt met een concrete smeekbede om als stam gespaard te blijven van de dreigingen van Esau, die hij vreest, en wijst tegelijk op de belofte van de Ene die verband houdt met een groot volk.

Jakob laat in onze vertaling precies blijken dat het alleen gaat over zijn bezorgdheid over moeder, “em”, en kinderen. Het is niet de bedoeling van de smeekbede alleen Jakob, een van de vrouwen en de kinderen te beschermen. “Moeder en kinderen” is een Hebreeuwse uitdrukking vandaar dat “moeder” in het enkelvoud staat. Dit gezegde verwijst echter naar de volledige stam met alle hebben en houden2.

Jakob heeft het in zijn verwijzing naar de belofte van de Ene ook over het nageslacht, nazaten, “zera”, afgeleid van het werkwoord “zara”, zaaien. De vergelijking met de talrijke zandkorrels is geleend uit de belofte van Jahweh aan Abraham in Genesis 22,17 na de binding van Isaak op de berg Moria. Heel weldoordachte aanhaling omdat met dit beeld nu drie stamvaders betrokken zijn. De twee uit het verhaal en Jakob die de omschrijving aanhaalt. In de andere teksten staan andere vergelijkingen om de talrijkheid van het nageslacht uit te drukken3.

 

1 Genesis 31,3.

2 Deuteronomium 22,6; Hosea 10,14.

3 stof van de aarde in Genesis 13,16; de sterren van de hemel in Genesis 15,5.

29 mei 2017

Opsplitsing in twee groepen.

Jakob wil een goedgezind onthaal in Kanaän om er zonder broedertwist in zijn intrek te nemen in het land van de vaderen. Hij wacht gespannen op de reactie van zijn gezanten. Genesis 32,7-9: 7 Bij hun terugkeer zeiden de boden tegen Jakob: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest; hij is nu al met vierhonderd man naar u onderweg.’ 8 Jakob werd bang, en in zijn angst verdeelde hij de mensen die bij hem waren, met de schapen, runderen en kamelen, in twee groepen. 9 Hij dacht: Als Esau op de ene groep afkomt en die neerslaat, dan kan de andere tenminste ontsnappen. De dienstboden die terugkomen hebben geen boodschap meegekregen van Esau. Ze verwittigen Jakob dat zijn broer al onderweg is naar hem. Hij komt echter niet alleen en is vergezeld van vierhonderd man. Jakob blijft in het ongewisse en vraagt zich af wat er hem te wachten staat. Wat is de bedoeling van die vierhonderd man?

Opnieuw speelt Jakob op veilig. Hij weet dat hij minder manschappen heeft en dat het risico bestaat dat Esau hem verslaat. Hij wil de goden1 niet verzoeken en neemt maatregelen. Net zoals de handelskaravanen die in gevaarlijk gebied komen, splits hij zijn stam in beweging op in twee helften. In die tijd waren ronddolende roversbenden actief en ook waar ze voorbijkwamen aan niet te vertrouwen5 29 a twee groepen Bijbel 944 a0002.jpg stammen die de karavanen beroofden, was het wijs om voorzorgen te nemen. Hij heeft de onvoorwaardelijke steun en bescherming van de Ene in verschillende dromen gekregen maar dat betekent nog niet dat hij roekeloos te werk moet gaan. Hij zoekt het risico alles te verliezen niet op. In de overtuiging van Jakob is er een risico want hij beseft al te goed dat hij zijn broer bedrogen heeft. Zijn angst is sterker dan zijn blindelings geloof, hoewel hij zich nog maar pas gesterkt voelde door de aanwezigheid van een leger engelen. De schrijver liet ons verstaan dat Jakob omwille van de aanwezigheid van het engelenleger hij de plaats dubbelkamp, Machanaïm, noemde. Nu noemt die opsplitsing in twee delen opnieuw “machaneh” in de Hebreeuwse tekst. Toch wel een erg verwant woordgebruik voor de beschermende maatregel van Jakob vergeleken met de bescherming van de Ene gesuggereerd in vers 3. De vertalingen laten deze gelijkenis2 niet blijken. Zo kan deze actie van Jakob een tweede bronverklaring zijn voor de naam van de plaats Machanaïm.

Dit opsplitsen geeft ons ook te kennen dat Jakob niet uit is op een militaire confrontatie. Dan zou hij al zijn manschappen ter beschikking houden. Hij stelt zich op als degene die in de verdediging gaat en het risico wil spreiden. Helemaal niet onlogisch nu hij weet dat Esau met vierhonderd man in zijn richting komt. Jakob is op zijn hoede en treedt op met het oog op wat in zijn eigen mogelijkheden ligt. Deze tweede maatregel staat toch weer heel dicht bij de aankomst van de het leger van engelen. Opnieuw kunnen we ons afvragen of ook dit ingefluisterd werd door de boodschappers van de Ene. Anderzijds kent Jakob Esau en weet dat hij leefde van het zwaard en niet van de veeteelt of de landbouw. Esau is een veroveraar en een jager. Zijn vader Isaak kende deze kwaliteiten evengoed en zegende Esau ook in die zin. Genesis 27,40: 40 Van je zwaard zul je leven, en je broers zul je dienen. Maar als je je losrukt, schudt je zijn juk van je nek!' Dat Esau een zelfstandig bestaan leidde buiten het huis van zijn vader, komt doordat hij met de “foute” vrouwen gehuwd was. Toen zijn moeder nog leefde, veroorzaakte dat heel wat wrijvingen3 en daardoor werd Esau verderop gestuurd.

 

1 denk de Ene.

2 Genesis 32,3 (kamp); Genesis 32,8 (groep); Genesis 3,9 (groep); Genesis 32,22 (kamp).

3 Genesis 27,46.

26 mei 2017

Esau krijgt een vriendelijk bericht.

Goed bewust dat er zich bij het binnenkomen van Kanaän problemen kunnen voordoen met Esau, tast Jakob de situatie af. Hij is immers twintig jaar geleden moeten vluchten voor zijn broer die doodsbedreigingen had geuit aan zijn adres. Esau was danig woedend dat hij door het bedrog van Jakob de zegen van zijn vader niet meer kon krijgen. Door een list had Jakob van zijn blinde vader Isaak de zegen kunnen bemachtigen van de eerstgeborene. Hij weet dat Esau deze zegen beschouwt als het recht op de erfenis van het grootste deel van de bezittingen van zijn vader. Esau denkt in materiële termen. Genesis 32,4-6: 4 En Jakob stuurde boden voor zich uit naar zijn broer Esau in Seïr, het gebied van Edom, 5 met de opdracht: ‘Dit moeten jullie mijn heer Esau zeggen: “Zo spreekt uw dienaar Jakob: Ik heb bij Laban gewoond en ben daar tot nu toe gebleven. 6 Ik bezit nu runderen, ezels en schapen, slaven en slavinnen. Ik laat u dit weten om bij mijn heer een gunstig onthaal te vinden.” ’ De schrijver en Jakob gaan er van uit dat Esau in Edom woont. Het gebergte van Seïr ligt niet in Kanaän maar ligt ten zuiden van de Dode Zee en van het gebergte van Gilead van waaruit Jakob net vertrokken is. Richting Kanaän is westwaarts en Hebron en Berseba liggen dan meer in het zuidwesten. Esau,Jakob,listige Jakob,vrees voor doodsbedreiging,uitleg van Jakob over zijn verblijf in Haran,Berseba,gebergte van Seïr,Edom,Hebron,Gilead,sturen van boden,Hethieten,Ismaël,Esau is de heer van Jakob,in dienst in een vreemd land,Jakob vraagt geen materiële hulp aan Esau,

Om te weten of Esau na al die tijd nog steeds zo woedend is, stuurt Jakob boden naar het ruwe Seïr in Edom. Dit was de landstreek die het beste paste bij het karakter van Esau en waar hij zich vermoedelijk thuis voelde. Jakob weet het nog van die rode soep die hem zijn bijnaam Edom1 gaf en van zijn behaarde lichaam2 van bi zijn geboorte dat in het Hebreeuws klinkt3 als Seïr. Dit gebied zal echter pas later door Israël ingenomen worden op het einde van hun zwerftocht door de woestijn zullen zij de Arava vallei oversteken naar het vlakke land van Edom met iets verder het Seïrgebergte met zijn rivieren die zorgen voor de bevloeiing van de streek4. Door zijn huwelijken is Esau eerder gebonden aan Kanaän dat bezet is door de Hethieten en aan de hoger woestijngebieden van Paran waar Ismaël woonde5. Zoals alle verhalen over de aartsvaders en voor Israël een land werd is dit ook een compositie en kunnen tijd noch plaats als objectieve gegevens gewaardeerd worden. De schrijver verklaart de situaties waarin hij en zijn toehoorders leven aan de hand van oude verhalen die hij opstelt. We herinneren ons in dit verband de vermelding van het land van de Filistijnen in Genesis 21,34.

Verder in de geest van het verhaal noemt Jakob zijn broer Esau zijn heer. Dit is nu eens helemaal in tegenstelling tot wat Rebekka had gedroomd en afwijkend van de zegen van Isaak6. Die nederigheid van Jakob heeft, naast het feit dat deze uitdrukking een normale beleefde en respectvolle aanspreektitel is voor een meerdere of een oudere persoon7, wellicht twee redenen. Esau was in de voorbije jaren succesrijk in het veroveren van bezit en land. Hij was een zeer voorspoedige man geworden en had als vrijgevochten heerser een groot vermogen uitgebouwd. Jakob echter had al die jaren in dienst gestaan in een vreemd land. Een tweede reden is dat de sluwe Jakob zijn broer Esau niet onmiddellijk wil herinneren aan de het voorval met de linzen soep en aan zijn bedrog met het gebraad voor het bemachtigen van de zegen van hun vader. Misschien is zijn woede nu wel bekoeld want zolang vader Isaak leeft heeft die zegen van de eerstgeborene geen enkele uitwerking.

Onmiddellijk laat Jakob met enige fierheid ook weten dat hij niet als een bedelaar terugkomt naar het huis van zijn vader. Hij blijft in de traditie van zijn voorouders die nooit met lege handen terugkeerden uit de vreemde. Hij heeft ook al wat rijkdom vergaard en zal niet moeten aankloppen bij zijn vader om te voorzien in zijn levensonderhoud. Zo blijft de erfenis van Isaak onaangetast en wordt hij niet gevraagd om zijn broer te steunen.

 

1 Genesis 25,30.

2 Genesis 25,25.

3 “Sear” staat voor ruw en behaard of bebost.

4 Deuteronomium 11,12.

5 Genesis 26,34-35 en 28,9 en 21,21.

6 Genesis en 25,23 en 27,29.

7 Genesis 23,6 en 24,18.