26 april 2017

Vertrek met de noorderzon.

In alle stilte werden de voorbereidingen getroffen in de stam van Jakob om voorgoed te vertrekken naar Kanaän. Het land dat beloofd was aan stamvader Abraham. Deze belofte werd generatie per generatie doorgegeven. Genesis 31,17-18:17 Toen maakte Jakob zich klaar voor de reis, liet zijn kinderen en vrouwen plaatsnemen op de kamelen, 18 voerde zijn hele veestapel en alle bezittingen die hij in Paddan-Aram verworven had met zich mee, en ging op weg naar zijn vader Isaak in Kanaän. De schrijver maakt een sprong in de tijd en vertelt niets over de jakob vertrekt met de noorderzon,stille voorbereidingen,kudden vooraf,vrouwen en kinderen op kamelen,richting kanaän,bezit is veestapel en ander materieel bezit,vertrekt naar huis met veel rijkdom,gezegend met groot nageslachtvoorbereidingen van het vertrek van de stam van Jakob. Het is een behoorlijke verhuis met de vrouwen en kinderen die we reeds zagen verschijnen in het verhaal. Daarbij komt nog het kleinvee, de runderen en de lastdieren. Als nomadenvolk trokken ze regelmatig verder naar vruchtbare weiden voor hun veestapel. Laten we veronderstellen dat Jakob op die manier als een eindje richting Kanaän was getrokken zonder enig vermoeden te wekken dat hij definitief zou vertrekken. Hoe dan ook was er overeengekomen dat de kudden van Jakob op drie dagreizen van deze van Laban moesten verblijven. Dat was al een afgesproken afstand tussen de kudden van Laban en deze van Jakob.

Nu worden alle bezittingen van Jakob vergaard. Verzen 17 en 18 laten er geen twijfel over bestaan dat alles aan Jakob toebehoort. De opsomming van wat hij meeneemt krijgt telkens het bezittelijk voornaamwoord “zijn” mee. Het belangrijkste bezit van een nomade is het vee. Het Hebreeuwse woord “miqneh” dat hier gebruikt wordt betekent immers zowel bezit als veestapel. De verre bron van dit woord gaat terug naar het werkwoord “qanah” dat staat voor iets kopen, verwerven of in bezit nemen. Die veestapel heeft hij door zijn inzicht en met de hulp van Elohiem inderdaad kunnen verdienen. Dit vergaren wordt benadrukt in vers 18 want “rakash” komt tweemaal voor. Een keer als het gaat over het materiële bezit, “rekush” en een tweede keer als het gaat over de veestappel,” miqneh”. Door die uitsplitsing wordt ons uitgelegd dat Jakob ook rijkdom heeft vergaard door zijn harde werk. Hij gaat niet met lege handen terug naar Kanaän. Dit is een van de vergelijkingspunten met zijn grootvader Abraham. Hij kwam ook terug naar Kanaän maar dan vanuit Egypte Genesis 13,1-2: 1 Zo trok Abram met zijn vrouw en al zijn bezittingen uit Egypte weg, de Negeb in; Lot ging met hen mee. 2 Abram was een rijk man die zeer veel vee, zilver en goud bezat. 3 Van de Negeb trok hij verder naar Betel, naar de plek tussen Betel en Ai, waar zijn tent ook tevoren gestaan had. Ook zijn vader Isaak had goed geboerd met de zegen van Jahweh in de nabijheid van Gerar1 voor hij omwille van de afgunst van de Filistijnen zich moest terugtrekken naar de streek van Berseba in het zuiden van het beloofde land.

Een tweede gelijkenis met Abraham is het vertrekken uit Haran naar het beloofde land Kanaän. Beiden hadden ze een droom die hen aanzette Haran te verlaten omwille van de onhoudbare situatie. Beiden trekken ze naar Kanaän. Het grote verschil met Abraham is de kinderzegen van Jakob. Jakob trek terug met een groot gezin naar het beloofde land. Een paar generaties na Abraham is de zegen van een groot nageslacht2 werkelijkheid aan het worden.

 

1 Genesis 26,13-14.

2 Genesis 12,2.